Mestgeur
Een mestgeur penetreert mijn neus. Handig, zeker nu alle ramen van de trein wagenwijd open staan. Op een bank voor mij zit een man die tegen zichzelf babbelt over ‘tetten en aardappelen’. Aangezien hij in deze serieuze discussie verwikkeld is stoor ik hem niet en mijn gedachten gaan uit naar het pas afgelegde sollicitatiegesprek.
Enkele dingen had ik zeker beter kunnen aanpakken, zegt mijn perfectionistische zelf, maar het gesprek zelf was goed. Mijn gevoel blijft echter neutraal. Heeft deze treinrit zijn doel niet gemist en mag ik binnenkort aan de slag? Of blijft het enkel bij een mestgeur?
De trein voert me naar het bekende station, met bekende gebouwen en de alom gekende frituur. De uitbater begroet me vriendelijk zoals steeds. Lekkere frietjes ook, al zou ik wel een andere naam kiezen voor een frituur. “De Statie” is weinig origineel voor een frituur… aan het station. Het zal me curryworst wezen want ik zie mezelf niet als uitbater van een dergelijk establishment.
Ik ben echter op zoek naar mijn trouwe vriend, mijn bondgenoot in sollicitatietijden: mijn fiets. Op zoek naar zijn vale groene kleur, zijn stuur dat een beetje uit de hoek staat en zijn bijna platte banden. Mijn Harley Trapson rijdt nog goed en ondanks zijn mankementjes zie ik hem graag en vlei ik mijn billetjes neer op zijn zadel.
Bij mijn thuiskomst check ik mijn mails. Geen antwoord deze keer. Zucht. De combinatie van ontgoocheling en frustratie begint zwaar te wegen. Wederom lacht de blauwe werkloosheidskaart me toe. Ik grijns terug want op een dag zal ik ze niet meer nodig hebben. Het enige blauw dat ik dan nog ga aanschouwen zal het blauwvan de lucht zijn dat door de ramen van het kantoor schittert terwijl ik AutoCad tem.
Gelukkig kan ik mijn gedachten verzetten met Death Metal of fitness. Lopen en zweten, fietsen, krachttraining. Alhoewel kracht een groot woord is. Ik heb namelijk nog geen spieren enkel puddinkjes. Het geeft me een gevoel van voldoening. Dat is zeer welkom want een lege mailbox heeft het omgekeerde effect namelijk dat van: “En we gaan nog ni aan ’t werk. Bijlange ni, bijlange ni!!!" Je kent het liedje wel. De tekst heb ik lichtjes aangepast aan mijn situatie.
Hopelijk kan ik binnen een paar jaar terugkijken naar deze teksten met een glimlach, mezelf sussend: "Ach, zo erg was het toch niet, het is allemaal goed gekomen!" Dan zal ik denken: "Wat een gerust kind was ik toen zonder job. Nu moet ik er alle dagen heen en moet ik daarnaast een huishouden runnen."
Maar de toekomst is wijzer dan ik en heeft altijd het laatste woord. Behalve vandaag. Vandaag heb ik het laatste woord. Weken zijn gepasseerd en ik heb gepraat over sollicitatiegrillen, negatieve ervaringen, interimkantoren met bewoners, Darth Vader poppen en in het rondvliegende slagroom op babyborrels. Dit is mijn laatste tekst. Op deze blog althans.
Misschien creëer ik wel een eigen blog. Of misschien schrijf ik wel een boek met de schitterende titel: Wie was er het eerst? De kip of de aambei? Kom je handtekening halen op de Boekenbeurs van 2014 en aanschouw dit rare wijf met eigen ogen. Vandaag wil ik diegene bedanken die mijn blog hebben gevolgd, een reactie hebben nagelaten of mijn schrijfsels gewoon hebben gelezen! Ik hoop dat jullie er plezier aan hebben beleefd. Ik alvast aan het schrijven! Ik wil afsluiten met een citaat dat ik onlangs heb gelezen. Voor mezelf en voor anderen kan het hoopvol zijn op de kolkende rivier genoemd arbeidsmarkt: “Winnaars zijn verliezers die nooit opgeven!”

Mijn vriend en ik zijn al een hele tijd samen, maar wonen nog steeds in het ouderlijke nest. Dat nest gaan we volgend jaar verlaten om eindelijk samen te gaan wonen. De afgelopen jaren was samenwonen iets voor de verre toekomst, maar de plannen worden nu concreet. Huisjes kijken, op het internet speuren naar meubels, bestek, lakens, parket, noem maar op.
Mijn pc kan inmiddels vliegen op commando. De vogels zijn veilig teruggekeerd naar hun nestjes. Geen schreeuwende, kleine gek meer in hun bos. Al kan ik in de toekomst niets beloven. Je ziet, niet alles is kommer en kwel.
Een trip naar de vakbond is altijd een avontuur. Je weet wanneer je binnengaat, maar nooit wanneer je terug buitengaat.
Ik wil zwemmen. Mijn armen uitslaan in het wilde water. Duiken, spartelen, genieten. Me aan alle vissen tonen en bewijzen. Maar iets trekt me naar beneden. Een onzichtbare, verstikkende kracht. Hoezeer ik ook naar de oppervlakte wil om te ademen, ik word naar beneden gezogen. In de modder. In de aarde. Daar blijf ik liggen met mijn hoop en wensen. Ze zijn verzopen. Net als mijn goede moed. Verdronken enthousiasme. Steeds weer.
Ik reis veel met de trein. Indien dit een Facebookprofiel zou zijn, moest er spontaan een duim
Het leven bestaat niet uit werken alleen. Iedereen zou een passie moeten koesteren. Mijn passie levert me op sollicitatiegesprekken steevast grote ogen op: de scheepvaartgeschiedenis rond 1900, met als specialisatie ‘The Olympic Class’. Menig lezer verslikt zich nu waarschijnlijk in zijn drankje of eigen vloeistoffen. Het is ook niet meteen iets wat je zou verwachtten van een 25-jarige dame, ik geef het toe.
Midden december 2011 was ik verlost van mijn job als verkoopster. Een hele last die van me afviel! Tijdens de feestdagen die volgden, verzette ik vooral mijn gedachten. Ik was niet bezig met werk zoeken of solliciteren. Gewoon even fun hebben. Samenzijn met familie, lief en vrienden. Dat was broodnodig.
Een vulkaan kan eeuwen rusten. Onopgemerkt. Tot het magma in de aarde zich roert. Wachtend op een uitbarsting. Mijn vulkaan barste uit in oktober 2011.
Omdat mijn sollicitaties voor een job in het onderwijs weinig opbrachten, solliciteerde ik na enkele weken ook als verkoopster in een kledingwinkel. Reden 1: om werk te hebben. Reden 2: om toch al wat geld te verdienen. Oke, ik geef toe: om mooie schoenen te kunnen kopen. Reden 3: om niet thuis te zitten werkloos wezen.
Welkom VDAB-vrienden! Een nieuwe maand, een nieuwe joblog. Laten we beginnen bij… het begin.





